donderdag 26 november 2015

De bekeerde bitch


Ik ben het prototype van een bitch. Groot, geboren met een RBF (Resting Bitch Face of Bitchy Resting Face) en doordat ik het grootste deel van mijn puberteit op straat doorbracht ook nog een vechtjas met een uitzonderlijk groot arsenaal aan scheldwoorden. Ik trek me dingen vaak persoonlijk aan en geef graag mijn mening (lees: kritiek). En nog een Amsterdamse ook, klaar ben je. Denk maar ‘ik laat me de kaas niet van ’t brood eten, kom maar op’ en je hebt waarschijnlijk wel een duidelijk beeld. Het is een sport om zo onaardig mogelijk te zijn, en ik ben er steengoed in. En ik ben niet de enige, de straten lopen er vol mee. We wantrouwen alles en iedereen, als iemand per ongeluk op een verkeerd moment oversteekt is het eerste wat we doen schreeuwen en schelden, op straat lopen we met harde schouders zodat we anderen kunnen wegduwen vóór zij ons wegduwen.

Ik vond het zelf altijd logisch: je kunt dingen maar beter voor zijn, je kunt iedereen om je heen maar beter goed duidelijk maken dat er met jou niet te sollen valt want dan voorkom je allerlei narigheid. Maar wat voor narigheid eigenlijk? Mijn belangrijkste raadgever gaf me een inzicht wat de eerste stenen van de muur afbrokkelde: 99% van de mensen doen stomme dingen niet uit kwaadaardigheid, maar uit onmacht, onhandigheid of onvermogen. Het tweede inzicht was dat ik door die houding 24 uur per dag in de waakstand stond, met denkbeeldig opgeheven vuisten, voortdurend klaar voor het gevecht. Hoe stoer het ook lijkt, het is dodelijk vermoeiend, en eigenlijk helemaal niet zo stoer – het is juist angst, en een gebrek aan zelfvertrouwen: denken dat je niet in staat bent te handelen als het écht noodzakelijk is, of niet kunt onderscheiden of iemand het goed of slecht bedoelt.

Het derde inzicht kwam er in de afgelopen weken bij: het vlindereffect.

Op een van de dagen vlak na de aanslagen in Parijs maakte ik een voorzichtig ommetje door de buurt (en nee, niet voorzichtig uit angst maar gewoon omdat ik door mijn rug was gegaan). Ik moest even wat ruilen bij de Zeeman, en de caissière was op een subtiele, maar onmiskenbare manier onvriendelijk: ze zuchtte zwaar geërgerd toen ik bleek dat ik het kartonnetje ervan af had gehaald, gaf me wederom hard zuchtend mijn geld terug, en toen ik zei dat ik even wat anders uit ging zoeken kon ze zich niet meer inhouden: “Ja, had dat dan gezégd mevrouw, dan hadden we het gewoon kunnen rúilen en had ik dit allemaal niet hoeven dóen!”. Ik had inderdaad niet opgelet, was met mijn hoofd bij andere dingen maar had niet de bedoeling gehad haar extra werk te geven, te ergeren of haar dag te verpesten. Nu voelde ik me ook ellendig, net als zij blijkbaar. Nadat ik wat anders had uitgezocht moest ik weer naar dezelfde caissière, en kortaf rekende ze af. Op mijn ‘fijne dag verder’ kreeg ik geen antwoord.

Bedrukt liep ik door de regen naar de overkant, en liep zonder een echt doel de Action in. Van al die Kerstspullen werd ik niet echt veel vrolijker, maar uiteindelijk vond ik toch iets praktisch wat ik wilde. Omdat ik niet kon bukken en alles door elkaar lag kon ik niet zien hoeveel het kostte, maar de gemiddelde prijzen op de kaartjes op de rand varieerden tussen de vijf en zeven euro dus veel meer kon het niet zijn. Bij de kassa aangekomen bleek dat er geen kaartje aan mijn vondst zat, dus de jonge caissière stuurde een collega de winkel in om een kaartje te halen. Na een tijdje kwam haar collega terug met een kaartje: 3,50. De caissière keek er nadenkend naar, en zei: “Hm. Volgens mij waren dat die andere, die van 3,50 en is deze 7,95. Maar weet je, neem ‘m maar voor 3,50.”. Ik antwoordde dat ik dat heel lief vond, waarop ze me recht aankeek en glimlachend zei: “Dat mag ook wel eens, toch? Lief zijn?”. Ik smolt, door één zinnetje en een stralende glimlach. Toen ik weer op straat stond viel me ineens op hoeveel mensen naar elkaar glimlachten: de buurman zwaaide vrolijk naar me vanaf de overkant, een vrouw die me kruiste excuseerde zich met een vriendelijk knikje, een schaterend kindje in een buggy werd voortgeduwd door een onhandig grijnzende vader en de vrouw van de visboer zei hartelijk ‘geniet van je snackje!’ toen ik een viskoekje afrekende. Ik werd er helemaal warm en fuzzy van. Het Kerstgevoel was vroeg dit jaar.

Zelden had iemand me zo’n duidelijke spiegel voorgehouden: de onvriendelijkheid van de eerste caissière was mijn poriën ingekropen en had me een naar gevoel gegeven, de wereld was een stuk minder leuk – en door het vriendelijke gebaar van de tweede caissière zag alles er ineens veel vrolijker uit. Hoe vaak heb ik eigenlijk mensen een rotdag bezorgd, ze een vervelend gevoel over zichzelf gegeven, hun wereld grauwer gekleurd? Ze nog meer aanleiding gegeven om zich af te reageren op de volgende, en zo verder, en zo verder, en zo verder…? Als je dit leest, en je kreeg onverdiend de volle laag van me: sorry. 

Het klinkt zo simpel, en toch doen we het niet genoeg. We zijn er dubbel in: als je een oproep doet om elkaar aardig en respectvol te behandelen ben je een boomknuffelaar, maar filmpjes waarin mensen aardige dingen voor elkaar doen worden massaal gedeeld, iemand die een oud dametje de straat over helpt steken wordt ‘held’ genoemd alsof het iets heel bijzonders is – wat zegt dat over ons? Er zijn allerlei initiatieven, Pay it Forward, Random Acts of Kindness, maar eigenlijk is het veel kleiner dan dat, het hoeft geen fortuin aan een dakloze te zijn en het hoeft niet op YouTube. Het is niet een Nieuwjaarsvoornemen om één aardig ding per dag te doen, het is een besef, het ultieme inzicht: elke dag, elk moment opnieuw heb ik een keuze: doe ik het op een vriendelijke of onvriendelijke manier? Bezorg ik iemand een fijne dag of een rotdag? Ben ik zo stoer (want dat is het, dit posten vind ik al doodeng) dat ik een glimlach kan laten doorvlinderen naar de volgende, en de volgende, en de volgende?

Ik, het prototype van de bitch, ga het proberen. Daar mogen jullie me aan houden.

Als je ’t maar vriendelijk zegt.


3 opmerkingen: