vrijdag 13 februari 2015

William

Zeven jaar geleden, we waren collega’s. Hij reed wel eens met me mee, we woonden in dezelfde buurt. In de auto voerden we lange gesprekken over het leven en sloten gaandeweg vriendschap. Toen ik vertrok bij onze werkgever bleven we contact houden. Onze belangrijkste gemeenschappelijke hobby was eten, en dat hij graag kookte was mooi meegenomen. Vaak lunchten we samen in het weekend, bij hem of bij mij, en zetten de lange gesprekken over het leven voort. Ik leerde William steeds beter kennen: Engels, wijs, eerlijk (zelfs als het pijnlijk was), heerlijke zwarte humor en een meester in het slaan op de koppen van spijkers. Aan medelijden of sentiment deed hij niet, wel aan bondige adviezen. Toen er in mijn leven iets ingrijpends gebeurde wás hij er gewoon, zonder drama, een eerlijke rots. De enige spijker waar hij soms mee worstelde was die van hemzelf, stiekem wilde hij iets anders, het was alsof hij wachtte op iets. De geboren Londenaar, met veel meer capaciteiten dan in zijn huidige baan van hem gevraagd werd, hoorde ik soms tussen de regels door verlangen naar Londen, een andere baan, een ander land - maar hij deed het nooit.

27 december 2013
Zoals altijd zit ik op een krukje in de keuken en staat William onze lunch te maken. Hij voelt zich al een tijdje niet lekker. Zijn dokter zegt dat het waarschijnlijk een ontsteking op zijn borst is, maar het gaat maar niet over. Hij vertelt dat een collega-huisarts het niet vertrouwde en hem heeft doorverwezen naar het ziekenhuis voor een longonderzoek. William heeft een compact lijf, brede schouders en een beetje een holle rug waardoor hij altijd een soort buikje heeft, maar van het stevige soort. Ik denk nog niets, maar als ik goed naar hem kijk zie ik dat het stevige buikje weg is. Ik vraag of hij is afgevallen, hij moet lachen: hij staat nooit op een weegschaal.

30 december 2013
We gaan naar de film, Inside Llewellyn Davis in het Eye. William vertelt onderweg in de auto dat ik gelijk had, hij voelde het aan zijn kleren. De film is boeiend, maar als we eruit komen hebben we allebei enorme rugpijn van de stoelen. Mijn rugpijn is verklaarbaar: ik heb een driedubbele hernia. Diezelfde week heeft hij zijn ziekenhuisonderzoek. Ik bied aan hem te brengen en te halen, maar hij zegt dat dat niet nodig is.

9 januari 2014
William heeft weer een ziekenhuisochtend. Ik had gisteravond weer aangeboden hem te brengen en halen. Deze keer had ik meer aangedrongen, ik had het gevoel dat het zwaardere onderzoeken zouden zijn waar hij misschien niet lekker van zou worden. Zelfredzaam als hij was weigerde hij weer. Ik had hem laten weten dat ik mijn telefoon bij me zou houden, zodat hij me zou kunnen bellen als hij zich bedacht. ’s Middags belt hij toch, en vraagt of ik hem kan komen halen.

In de auto kijk ik eens goed naar hem. De huid van zijn normaal glanzend zwarte gezicht is een mat bruin. Terwijl we naar zijn huis rijden vertelt hij eindelijk wat ze nou allemaal met hem hebben gedaan. Op de een of andere manier had ik er niet eerder naar gevraagd. Vorige week hadden ze een MRI gemaakt waar een vlek op te zien was die er niet hoorde, en deze week wilden ze dat dubbelchecken door een CT-scan te maken. Toen ze dezelfde plek weer zagen, besloten ze een biopt te nemen. Ik hoor harde alarmbellen, maar wij doen niet aan drama dus ik zeg er niets over en vraag of het pijn deed. Bij hem thuis aangekomen doen we wat we het liefst doen: eten en kletsen over vanalles.

15 januari 2014
Ik heb nooit geleerd mijn emoties op een normale manier te uiten. Bij mijn vader, een echte Indo, was zelfbeheersing het hoogste goed. Als ik op mijn knie was gevallen en schreeuwend binnen kwam, zette hij me op het aanrecht, keek even naar mijn knie en vroeg dan droog: “Komt er bloed uit?” Nee. “Komt er bot uit?” Dan antwoordde ik bedremmeld van niet, en zette hij me met de besliste woorden “OK, dan hoef je ook niet te huilen” weer op de grond. Hij verdroeg het niet me ziek of verdrietig te zien, woog elke emotie af en vond al snel dingen aanstellerij. Hij stond zichzelf niet eens toe te huilen na zijn beroerte en verlamming. Mijn moeder was het andere uiterste, ze vierde al haar emoties openlijk en grenzeloos. Ook al geen handig rolmodel.

In de namiddag belt William, hij heeft de uitslag gehad van zijn biopt. Hij heeft kanker. Hij zegt het zakelijk, mijn knieën begeven het en ik zak volledig verdoofd neer op de bank. Tijdens het gesprek vraag ik praktische dingen, ik vraag hoe hij zich voelt, we maken wrange grapjes en giechelen samen. Ik huil niet, hij is tenslotte nog niet dood, er is nog heel veel aan te doen en er is niets vervelenders dan medelijden, hij blijft mijn vriend en niet ineens een patiënt, dat verdom ik. Hij bedankt me dat ik niet huil. Als we ophangen gebeurt er iets zeldzaams: ik begin alsnog, onbeheerst, te huilen, mijn hart doet letterlijk pijn. Ik kan alleen maar woedend NEE roepen tegen mijn woonkamer, de tafel, de banken en de ramen waar de regen onverstoorbaar langs blijft stromen. Ik stomp mijn bank net zolang tot mijn hand rood is en pijn doet. De auto’s buiten rijden gewoon door, er verandert niets door het nieuws of mijn hartgrondige NEE. Er gaat van alles door mijn hoofd: ik wil geen pijn of verdriet meer voor mijn dierbaren, ik ben al teveel kwijtgeraakt binnen twee jaar, hij is altijd zo lief voor me, hij komt soms zomaar hapjes eten brengen, en onze fietstochtjes door Amsterdam dan? En onze ellenlange leerzame gesprekken dan? Misschien wordt hij wel zo ziek dat ik weer een dierbare moet zien wegkwijnen, of misschien gaat ie dood, en moet ik naar een begrafenis en weer afscheid nemen en dat wil ik niet, ik ben pas 43, ik hoor toch niet nu al zoveel kwijt te raken? De hele uitbarsting duurt nog geen vijf minuten of mijn emotiewaakhond begint zich af te vragen of ik nou niet een beetje egocentrisch bezig ben. Ik geef mezelf op mijn donder, stop met huilen, wrijf nog eens over mijn pijnlijke hand en begin te schrijven. Ik weet tenminste wel hoe dát moet.

18 januari 2014
William belt of ik thuis ben, en staat tien minuten erna voor mijn deur. Zoals altijd zitten we aan mijn eettafel, en hij vertelt uitgebreid over de gesprekken met de artsen, hoe het hem werd verteld, hoe hij zich erbij voelt. Ik ben diep onder de indruk van zijn houding: hij staat zichzelf niet toe er een toestand van te maken, maar wil eerst afwachten wat er uit de volgende onderzoeken komt, die moeten meer duidelijkheid geven over de aard en de ernst. Hij vertelt dat wij de enige twee waren die al meteen wisten dat het kanker was, terwijl we dat nooit hardop hebben uitgesproken, en dat zijn andere vrienden en familie volledig overdonderd waren. Hij vertelt over de reacties op het werk, over de soms lieve en soms stomme reacties van collega’s. Tijdens het gesprek kost het me soms moeite niet te huilen. Ook nu maken we samen harde grappen, hij vertelt over zijn teamleider die tijdens een functioneringsgesprek ineens alle papieren opzij schoof met de woorden dat dat eigenlijk onzin was gezien de omstandigheden, en dat hij gewoon tevreden was. Diezelfde teamleider kwam later nog eens naar zijn bureau, en drukte hem nog even op het hart dat de beoordeling los stond van de recente ontwikkelingen. William had hem grinnikend aangekeken, en gezegd: “Are you silly? I’m not gonna pull the cancer card, I haven’t even pulled the race card yet!” Giechelend bedenken we samen wat hij allemaal kan krijgen als hij de kankerkaart trekt, voorrang bij de winkel, mensen aan het schrikken maken, het is één grote grap. Als hij de deur achter zich dichttrekt moet ik zachtjes huilen.

31 januari 2014
William belt of ik tijd heb om ’s middags even langs te komen, dat kan, ik heb precies een uur tussen twee afspraken. Met een steen in mijn buik rij ik naar hem toe, ik bereid me voor op het ergste. Hij heeft alle uitslagen binnen: hij heeft een agressieve vorm van kanker, en het is uitgezaaid. Hij krijgt de komende twee jaar om het half jaar injecties, en er wordt om de drie maanden onderzocht hoe de kanker zich gedraagt. De woorden ‘twee jaar’ galmen na in mijn oren, en deze keer lukt het me niet om mijn tranen binnen te houden, en niet in het minst omdat het tranen van blijdschap zijn. Zijn grootste angst was dat hij nog twee weken zou hebben, te kort om alles nog te doen wat hij wilde. Twee jaar betekent doorleven.

Hij vertelt uitgebreid over alle gesprekken, en als ik mopper dat er zoveel tijd zit tussen alle onderzoeken en de injecties moet hij lachen, en zegt dat ik op zijn nicht lijk, die in het gesprek met de arts precies hetzelfde zei, en vroeg waarom er niet elke week werd gekeken of de kanker verder was uitgezaaid. Zijn nicht en ik deden me denken aan Shirley McLaine in Terms of Endearment, we willen niet dat onze dierbare ziek is en pijn heeft. William vertelt dat de hormooninjecties bijwerkingen kunnen hebben, en lachend flap ik eruit: “Are you gonna grow boobs?” Ik blijk er niet ver naast te zitten: hij kan een iets hogere stem krijgen, opvliegers en stemmingswisselingen. We zijn het erover eens dat dat in zijn geval helemaal geen kwaad kan, wat meer emotie, hij zit zo in zijn ratio. Opgelucht ga ik naar mijn volgende afspraak.

8 februari 2014
’s Middags bel ik William om even te horen hoe het gaat, en hij vertelt dat hij om de hoek is en net van plan was even langs te komen. Even zitten we aan tafel, maar we hebben allebei rugpijn en ik stel voor lekker op de banken te gaan hangen. Hij gaat languit liggen en lijkt wat minder pijn te hebben. We kletsen wat over de kanker en hoe hij zich voelt, en iets in wat hij zegt herinnert me eraan dat ik hem nog wat wilde vertellen over wat me van de week was overkomen. Ik begin plompverloren te praten, maar bedenk me dan en vraag of hij wel ruimte heeft voor iets totaal anders. Zijn antwoord is hartgrondig: “Oh thank God, yes, please do.” Niet lang daarna gaat hij weg, hij heeft nog dingen te doen, busy bee als altijd. Maar ik kan zien dat hij pijn heeft.

Diezelfde avond, iets voor twaalven gaat mijn telefoon: het is William. Omdat hij altijd vroeg gaat slapen, en me ’s avonds zelden of nooit belt weet ik meteen dat er iets mis is. Hij komt meteen to the point: of ik denk dat de coffeeshop verderop nog open is, en zoja, of ik wat wietcake voor hem wil halen. Hij kan niet slapen van de pijn, weet niet hoe hij moet liggen. Ik antwoord op dezelfde manier: ik ga even surfen en bellen, en bel hem zo snel mogelijk terug. De coffeeshop blijkt nog open en wietcake te verkopen, en ik bel terug om te zeggen dat ik er een paar ga halen en eraan kom. Hij klinkt zo opgelucht dat het me door merg en been gaat.

In de coffeeshop kan ik eindelijk een Shirley MacLaintje doen. De jonge studenten voor me willen van alles weten, ze hebben ‘nog nooit drugs gebruikt’ en laten zich goed voorlichten. Ik kijk het een tijdje aan, en als de studenten onderling even overleggen of ze nou een stukje cake zullen kopen zie ik mijn kans schoon, plant mijn arm tussen ze door op de bar en zeg over ze heen tegen de barman dat ik graag twee cakejes wil, sorry dat ik voordring maar mijn vriend heeft pijn. Met een bezorgd gezicht pakt  hij meteen twee cakejes, rekent af en wenst mijn vriend sterkte.

Bij William aangekomen geef ik hem de cakejes, hij is veel slechter dan vanmiddag. Lopen, zitten, liggen, alles doet hem pijn. Er begint om kwart over twaalf een film die ik graag wil zien, Moon, dus ik stel hem mijn plan voor: ik blijf bij hem de film kijken, zodat we naar het ziekenhuis kunnen als de cake niet doet wat we willen dat ie doet. Hij vindt het een goed voorstel en installeert zich op de bank, ik op de fauteuil iets verderop in de kamer. Hij ligt, zit, draait en trekt grimassen van de pijn, maar na een minuut of twintig word hij iets rustiger. Voorzichtig stel ik voor dat hij naar bed gaat en probeert te slapen, ik blijf hier, als het niet gaat kan hij altijd weer naar boven komen, en als het wel gaat kom ik er zelf wel uit.

Na een dik half uur hoor ik tot mijn schrik geschuifel in de gang. Volledig aangekleed komt hij de kamer in, zijn gezicht staat uitgeput. Meteen pak ik mijn mobiel, bel de centrale doktersdienst en leg uit wat er aan de hand is. Of we naar de huisartsenpost in het Lucas kunnen komen. In de auto spreekt William zijn dank uit, hij is zo blij dat ik er ben. Ik merk droog op dat de hormonen hun werk al aan het doen zijn, hij doet mushy. Voor mij voelt het niet als een goeie daad, mijn vriend heeft pijn en ik ben blij dat ik iets kan doen zodat ik me minder machteloos voel.

In het ziekenhuis moeten we even wachten. Hij blijft rustig, maar gaat steeds verzitten en dan is ook goed te zien hoeveel pijn hij heeft. We praten over wat we denken dat de dokter zal zeggen, ik hoop voor hem dat hij morfine krijgt, of in ieder geval haar kleine broertje Tramadol. Na een tijdje komt er een moeder met een zoontje van een jaar of zeven de wachtruimte in. Het jongetje kijkt wat verdwaasd uit zijn ogen, niet zo gek op dit uur. Om de tijd te doden en hem een beetje af te leiden begin ik een streek uit te halen en zeg zacht tegen William dat het jongetje stomdronken is. En die ouders van hem, ontspoorde mensen, dat zie je zo. Trash. Schandelijk dat ze hun zoon zoveel laten drinken. Zonder een spier te vertrekken antwoordt William dat hij zeker weet dat het coke is, als je goed naar het jongetje kijkt zie je het aan zijn ogen. High als een konijn. We verzinnen samen een heel verhaal over het cokeverslaafde drankzuchtige jongetje. Achter ons zit een lange jongen met zijn capuchon over zijn hoofd, er is iets met zijn ogen. Ook die moet eraan geloven, na vijf minuten hebben we het mysterie al ontrafeld: de jongen heeft thuis met superlijm zijn oogleden dichtgeplakt, en nu krijgt hij ze niet meer open, en het brandt natuurlijk enorm.

Eindelijk is William aan de beurt, we spreken af dat hij me roept als er iets is. Na drie kwartier komt hij terug met een recept in zijn hand: Tramadol. Yummy. We lopen door de gangen richting de apotheek, als ik hem vraag of hij een arm wil weigert hij, maar als ik hem instinctief uitsteek steekt hij toch zijn arm door de mijne en leunt zwaar op me. Hij is aan het eind van zijn Latijn, het is inmiddels over drieën.

Bij de apotheek moeten we weer wachten. William klimt kreunend op de stoelenrij, en blijft daar op handen en knieën staan. Hij weet niet meer hoe hij moet zitten van de pijn. Als we aan de beurt zijn doet het vriendelijke meisje (dat niet aan de heroïne is maar aan de Special K, die haar wordt geleverd door een ex, een dierenarts die nog van haar houdt en alles doet om haar terug te winnen) haar best, en weer voel ik een Shirley MacLaintje opkomen, kan het niet sneller? Geef William die verdomde pillen, inmiddels hangt hij voorover op de balie als een vrouw met barensweeën. We zijn nooit erg knuffelig geweest, op onze vaste begroetingsknuffel na waar alles inzit, maar even leg ik voorzichtig mijn hand op zijn rug, ik zou willen dat ik de pijn kon weghalen.

De volgende dag spreek ik hem ’s middags: hij heeft eindelijk goed geslapen en kon rechtop staand in zijn keuken een ei bakken. Hij klinkt blij. Maandag moet hij weer naar het ziekenhuis.



Hier stopte ik met het dagboek: de ziekenhuisbezoeken werden ontelbaar, en een vast onderdeel van mijn weken. We hielden de traditie om grappen te maken over anderen niet lang vol: vaak had hij teveel pijn om een zinnig gesprek te kunnen voeren en wisselden we alleen zacht wat basics uit. Op 3 september postte ik op Facebook wat later profetische waarde bleek te hebben: “Mijn dierbare vriend is opgenomen in t ziekenhuis. Hij heeft zijn eigen kamer, wat een luxe. Ik zit in die kamer te wachten tot hij de badkamer uitkomt, maar vind t niks luxe, het voelt bijna claustrofobisch. Ik denk dat dat is omdat ik hier niet wil zijn, of liever gezegd, ik wil niet dat mijn vriend hier moet zijn. Diep in mijn hart ben ik bang dat hij hier niet meer wegkomt...” Ik belde hem bijna elke dag, en ging twee á drie keer per week bij hem op bezoek. 

Op 20 september was hij te zwak en had teveel pijn om bij mijn verjaardagsfeestje te zijn, waar hij normaal gesproken altijd bij was. We misten hem, we proostten we op hem en op het leven. Een week later, ik had het druk gehad, belde ik hem. Hij vertelde dat hij nieuws had gekregen: hij was uitbehandeld en zou alleen nog palliatieve zorg krijgen. Ik reed meteen naar hem toe. Toen ik binnenkwam wilde hij persé dat ik links van hem ging zitten. Hij greep mijn hand, en impulsief drukte ik er een kus op. Ik was sprakeloos toen ik zag hoe hard hij in een week achteruit gegaan was: graatmager, en zijn mooie chocoladebruine huid was een grauw beige geworden. Net voor ik binnenkwam had hij voor het eerst een morfinepleister opgekregen tegen de pijn, hij was aan het wegzakken. Ik belde meteen de dokter, die een overdosis constateerde. Toen hij uren later weer een beetje bijgetrokken was omdat de pleister was weggehaald, gaf hij me vanuit zijn kussens een grote grijns en zei vrolijk: “And how are you, my dear?”. Hij kon niet meer zelf eten, dus voerde ik hem. Hij gaf aanwijzingen voor de menghapjes die ik maakte: “A bit more green stuff please, less potato.” Hij at nog niet de helft op. Nog geen week later was hij dood.

-

Het moet een avond in juli, augustus zijn geweest. Het was laat en warm, zo warm dat ik alleen mijn overmaatse knalgele Snoopy-hemd aanhad wat net tot halverwege mijn bovenbenen komt, een slip en slippers. Hij belde, of ik nog wakker was en thuis. Ja. Of ik naar beneden wilde komen, want hij kon de trap niet meer op. Nog geen minuut later ging de deurbel en liep ik naar beneden. Zoals gewoonlijk raakten we meteen in gesprek, over wat de dokter had gezegd, en hoe nu verder. Omdat ik niet wilde dat de buren last van ons hadden slipperde ik de straat op, maar dat vond hij niet goed, ik stond in mijn hemd. Uiteindelijk gingen we in mijn auto zitten en praatten over vanalles, over de kanker, nieuwe medicijnen, over mijn privéleven, ik was verdrietig en moest ineens huilen. Zoals altijd bleef hij onverstoorbaar doorpraten met zijn kalme stem. Hij deed niet aan ooh en aah of een troostende arm, maar aan praktische adviezen, aan relativeren, of gewoon botweg streng, dat ik niet zo aan mezelf moest twijfelen, dingen die uiteindelijk veel nuttiger en troostrijker waren. We praatten nog lang door, daar in mijn stilstaande donkere auto waar we alleen elkaars silhouet konden zien. Het was zo’n avond die je altijd bijblijft.

Morgen is hij jarig. Wat mis ik ‘m.



Weten wat voor bijzonder mens William was? Lees dan het prachtige artikel The Brief Luscious Life of William Benjamin van FW North.
"Ultimately, we may all be stardust, but William sparkled brighter. We will cry, we will miss him, we will remember him, we will say “I wish you had met William!” to all those we deem worthy of our love, we will know his life was only brief if we assign a number to it, we will dance to his favorite songs, we will eventually let go of the pain, we will keep on living, we will do our best to adjust to a world without William – a world that is now dimmer and less extraordinary."


Geen opmerkingen:

Een reactie posten