dinsdag 28 januari 2014

Een broodje döner

We zaten op een druilerige avond bij het dönerzaakje, mijn goede vriend en ik, te wachten op onze bestelling. We gingen stout doen, we hadden bij het dönerzaakje gerechten besteld, en zouden daarna verder winkelen bij de grootste fastfoodketen, die met het rood-gele logo. Onee, groen-geel, ze doen tegenwoordig of fastfood gezond is. Dat hoort het niet te zijn, fastfood hoort niet te liegen dat het gezond is, het hoort eerlijk smerig en vet te zijn. Dat is waar je het voor koopt, dat is de ‘treat’. Wij waren aan het zondigen, onszelf aan het trakteren op iets wat eigenlijk niet mag, we zouden onze buit mijn huis inslepen en ons gezamenlijk tegoed doen.

Toen we onze bestelling plaatsten werd er net een nieuwe vleesmassa op de spies geprikt die traag draaide, dus we werden naar een tafeltje verwezen en er werd ons vriendelijk een drankje van het huis aangeboden. Met de vriend in kwestie voer ik over het algemeen giechelige gesprekken die zich niet lenen voor een publiek, dus we praatten een beetje over koetjes en kalfjes, staarden wat naar de langzaam draaiende vleesberg en observeerden klanten. De uitbater was een kleine buitenlandse man met een spits gezicht waar niet veel mee gelachen werd, zijn waar verkopen was een ernstige zaak. Hij antwoordde kort, of knikte alleen als er een bestelling werd geplaatst.

Er verscheen een man in de deuropening. Hij had een dikke jas aan, een dik donker hoofd en een dikke buik. Zonder naar de toonbank te lopen riep hij de uitbater iets onverstaanbaars toe. De uitbater negeerde hem, waardoor de man zijn vraag of uitroep nogmaals, en harder riep. De uitbater grauwde hem even onverstaanbaar iets terug, en al snel stonden beide mannen elkaar onverstaanbare dingen toe te roepen. De man leek wat verward, maar daardoor niet minder angstaanjagend met zijn geschreeuw. De uitbater maakte wapperende bewegingen met zijn handen, het was duidelijk dat hij wilde dat de man de winkel verliet, maar de dikke man ging niet en werd alleen maar kwaaier. Bezorgd keken mijn vriend en ik elkaar aan, dit zou wel eens vervelend kunnen worden.

Ondertussen kwam er een andere man de winkel in, met zijn handen in zijn zakken sjokte hij kalmpjes voorbij de dikke schreeuwende man, niet onder de indruk. Hij was begin dertig, maar zag eruit als een jongen: slank, petje op, jack aan, afzakkende spijkerbroek. Glimlachend knikte hij de, inmiddels rood aangelopen, uitbater toe. Even overzag hij de situatie, wendde zich tot de verwarde man, legde rustig een hand op zijn arm, keek hem recht aan en zei vriendelijk: “’t Is toch goed?”. De verwarde man staarde de jongen volkomen verbouwereerd aan, dit was hij niet gewend. “Hee, ’t is toch goed?” zei de jongen nog een keer. Hakkelend deed de dikke man een paar passen achteruit, draaide zich om en schommelde, nog verwarder dan hij al was, de druilerige motregen weer in. De jongen draaide zich weer naar de uitbater toe, die minstens even verbaasd stond toe te kijken. De jongen haalde even zijn schouders op en bestelde een broodje döner.

Met een gevoel alsof ik net een wonder had aanschouwd pakte ik even later het tasje met broodjes aan, en liep met mijn vriend door naar de fastfoodketen met het rood-gele logo. Onee, groen-geel.
 
Ja, het is goed.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten