woensdag 18 december 2013

Vlinders van West - George

Ik woon nu meer dan tien jaar in Oud-West, een in alle opzichten kleurrijk en bijzonder stadsdeel waar veel buren elkaar nog bij naam kennen en gedag zeggen. Amsterdam heeft de meeste nationaliteiten ter wereld, wat in West het best wordt vertegenwoordigd: 156 nationaliteiten maar liefst, en dat gaat prima samen. De typische rechtstreekse Kinkerbuurt-mentaliteit is nog overal terug te vinden, van een joviaal “Hee gozer!” tot een even hartelijk “Eej, oprotte mafkees!”, alles zonder een greintje kwaadaardigheid. Er zijn allerlei winkeltjes en eethuisjes, een veelheid aan kleuren en smaken. Tussen al die pracht door vliegen een paar mensenvlinders, vaste gezichten, die jaar in jaar uit overal tussendoor fladderen, die iedereen wel eens voorbij heeft zien komen en mijn nieuwsgierigheid wekken.

 
George

Hij is altijd een beetje nors als ik de supermarkt binnenloop. Steevast brom ik “Hee George” in het voorbijgaan, steevast knikt hij bijna onzichtbaar terwijl hij naar de grond kijkt, zodat ik nooit weet of het nou tegen mij is. Voordat George kwam stond Florin er altijd, een vriendelijke Roemeen aan wie ik gehecht was. Toen Florin twee jaar geleden zomaar verdween en George zijn plaats innam weigerde ik uit protest maandenlang de nieuweling gedag te zeggen. Ergens pikte ik op dat hij George heette, en langzaam begon ik aan hem te wennen. Gedag zeggen deed ik pas na het eerste Daklozenkrantje wat ik van hem kocht.

George zit er dag in, dag uit zijn krantjes te verkopen, zeven dagen per week. Van elk verkocht krantje mag hij 90 cent houden. Hij heeft zijn eigen hoekje bij de boodschappenwagentjes, zijn tas propt hij erachter. Toen ik van de week ineens mijn pas inhield, en hem ernstig vroeg of hij eigenlijk écht George heette (je zal iemand maar jaren met de verkeerde naam aanspreken) brak zijn diepzwarte, glimmende gezicht open door een brede witte glimlach met flonkerende gouden randjes. Ja, hij heette echt George. Ik stak mijn hand uit en stelde me voor, en vertelde dat ik nieuwsgierig naar zijn verhalen was. We spraken af om de dag erna koffie te gaan drinken.

Ik haalde hem op, en toen we ons eenmaal geïnstalleerd hadden vertelde hij hoe verrast hij was: iedereen zegt hem gedag, of negeert hem, maar niemand stelt vragen. Hij had erover nagedacht en was tot de conclusie gekomen dat het de voorzienigheid was die me op hem had afgestuurd. Ik hielp hem gauw uit de droom: ik kan hem geen werk geven, ik ben al bezet, ik kan niets voor hem oplossen. Ik kon alleen zijn verhaal vertellen. Dat bleek niet makkelijk: hij ging snel langs ingrijpende gebeurtenissen, schoot voortdurend heen en weer in de tijd en bleef lang hangen bij zijn toekomstplannen, waar hij ook vaak op terugkwam. Door veel door te vragen kon ik uiteindelijk de losse eindjes aan elkaar knopen.  

George komt uit Ghana, een van de armste landen ter wereld. Zijn oudere broer en jongere zus zijn elders opgegroeid. Toen hij vier was ontstonden er problemen binnen de familie over bezit, cocos, en op een dag vertelde zijn oom hem dat zijn ouders om die reden waren vermoord. Omdat zijn oom ook bang was vermoord te worden nam hij George mee, weg uit zijn geboorteplaats. Toen George achttien was overleed ook zijn oom, en was hij alleen. Om te overleven verkocht hij melk en suiker aan de straat. Zelf een bedrijfje opbouwen in Ghana is niet makkelijk: door de corruptie kan dat alleen als je geld hebt en ‘friends in high places’. Net als in veel andere landen in Afrika ging ook in Ghana het verhaal rond dat Nederland een sprookjesland is, waar de straten van marmer zijn, er melk uit de kranen komt en iedereen rijk is. En natuurlijk worden de beste voetballers hier gemaakt. Al vanaf zijn vijftiende droomde George er dan ook van om naar Nederland te verhuizen en spaarde al het geld dat hij verdiende op voor de grote reis.

Op zijn drieëntwintigste kwam hij hierheen op een toeristenvisum. Als ik erachter kom dat hij hier al achttien jaar is vraag ik verbaasd hoe het komt dat hij geen woord Nederlands spreekt. Hij legt uit dat hij bij aankomst terechtkon bij Ghanese vrienden. De Ghanese gemeenschap is vrij gesloten, uit angst voor de vreemdelingenpolitie, maar ook door de grote cultuurverschillen. In Afrikaanse landen spreken vreemden elkaar makkelijk aan en is er een duidelijke sociale structuur, en net als een vriend van me uit Gambia schrok ook George van de gesloten en individualistische houding van ons Nederlanders, en durfde niet goed zomaar mensen aan te spreken. Zijn ogenschijnlijke norsheid bleek dus gewoon verlegenheid.

Eenmaal hier zat hij in een lastig parket: hij had geen papieren, maar ook geen geld om terug te gaan. Doordat hij geen papieren had kon hij ook niet werken of een huis huren, dus kon hij alleen bij zijn vrienden blijven. Uiteindelijk kreeg hij wat hulp: hij kon het Daklozenkrantje verkopen wat hij nu vijf jaar doet. Met de opbrengst kan hij een beetje bijdragen in het huishouden en een klein beetje apart houden voor zijn droom. Hij doet er geheimzinnig over, maar wat hij me wel wil vertellen is dat hij iets bijzonders op wil bouwen als hij zijn papieren op orde heeft, en dan na een tijdje een keer op vakantie naar Ghana. Ik ben benieuwd of hij zijn land niet heeft gemist al die jaren, maar hij schudt zijn hoofd: hij had daar niets en niemand meer.

Als ik vraag of hij ook niet ooit permanent terugwil schudt hij nog beslister zijn hoofd. Hij vindt het hier fijn, het land en de mensen, ondanks het feit dat de straten niet van marmer zijn, er geen melk uit de kranen komt en hij nooit zo rijk zal worden als hij had gedroomd.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten